In principe kan paardenvoer worden onderverdeeld in de volgende voedselsoorten: ruwvoer, krachtvoer en overige voeders.
Aangezien paarden planteneters zijn en hun spijsvertering is ingericht op vertering van ruwe celstof, is het voeren van veel ruwvoer belangrijk. Onder ruwvoer vallen onder andere: hooi, stro, kuilgras en weidegras. Allemaal bevatten zij veel ruwe celstof. Als richtlijn voor de hoeveelheid ruwvoer geldt dat een paard ca 1,5% van zijn lichaamsgewicht aan ruwvoer mag hebben per dag. Bij een volwassen groot paard van ongeveer 600 kg komt dat neer op ca. 8 kg per dag.
Aangezien ruwvoer tegenwoordig veelal niet helemaal voorziet in de behoefte aan energie, vitaminen, mineralen en sporenelementen wordt naast het ruwvoer vaak ook een krachtvoer bijgevoerd. Een krachtvoer is een brok (foto) of muesli welke bestaat uit onder andere diverse granen (zoals maïs, gerst, tarwe, haver, spelt), vitamines, mineralen en andere voedingsstoffen. Afhankelijk van het soort paard of pony en het gebruiksdoel zijn er verschillende soorten brokken en muesli’s te verkrijgen. Opgroeiende veulen hebben bijvoorbeeld andere voedingsstoffen nodig dan sportpaarden, oude paarden of paarden die niet veel hoeven te doen. Ook is er speciaal voer verkrijgbaar voor paarden met allergieën of andere gezondheidsproblemen.
Hoeveel krachtvoer je moet voeren is sterk afhankelijk van bijvoorbeeld ras, lichaamsgewicht en leeftijd, conditie van het paard, inspanningsniveau, omgevingsfactoren (o.a. temperatuur), hoe het paard wordt gehouden (op stal, in een wei, etc.), en wat er nog meer in het rantsoen zit. Een algemene richtlijn voor krachtvoer is ongeveer 0,5 kg per 100 kg lichaamsgewicht per dag of meer bij sterke inspanning.
Naast ruw- en krachtvoeders krijgen paarden en pony’s vaak ook andere voeders gevoerd. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld wortels, bieten, appels en dergelijke. Deze zijn veelal niet nodig, maar worden gevoerd ter afwisseling van het rantsoen of als beloning.

